Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | november 6, 2007

‘t Einde

neplog.jpg

Dit blog is geschreven in het kader van de Neplogwedstrijd van Op Ruwe Planken.
De Bouwvakker is dus slechts een fictief karakter.  *pinkt een traan*

Met zeer veel dank aan de redactie.
Wat een geweldig idee, een neplogwedstrijd.
En wat een avonturen heb ik beleefd samen met de bouwvakker, zo in de nacht achter mijn pc.

Ik ga hem heel erg missen.

Klik!

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | november 6, 2007

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | november 6, 2007

Niksig

Toen ik gister thuis kwam was ze weg.
Ik was met de trein geweest om nieuwe films te halen op een boerderij die plat ging.
Ze was weg.
Het hele huis was schoon.
De was zat in de wasmachine.
En het werd nacht en ik lag in bed.
Alleen.

Was ze er echt?
Waar was ik gebleven?
Van voor ze er was?
Waar ben ik in ‘s hemelsnaam?
En laat laat laat laat laat dat eeuwige denken nu in godsnaam eens stoppen.

Nu haal ik zelfs god en de hemel aan.
Laat het alsjeblieft stoppen.

Waar was ik?

Ze was weg.
En vanochtend nog steeds.
Alles leeg.
Met een mok thee ben ik voor het raam gaan staan.
En toen ik pijn kreeg aan mijn benen ging ik op haar stoel.
Niets ruikt er meer naar haar.

Waar ben ik gebleven?
Ik ben geen bouwvakker meer.
Ik ben een man met een konijntje op schoot.
Met een biebpas en een internetverbinding.
Ik dacht dat dit me dan zou redden.
Maar het stopt niet.

Ik wil het zo graag.

Uiteindelijk is toch ieder mens alleen in zijn hoofd.
Niets geeft me troost.
En niets smaakt me.
Niets zo sneu als een boterham met kaas, naast de centrale verwarming op een stoel bij het raam.
Als ik toch altijd al alleen was, hoe komt het dat nu alles zo niksig is?

Ik ben geen bouwvakker meer.
Ik ben een man.
Ik zit bij het raam.
Ik ben alleen.

Ik wil het zo graag.
Ik stop.

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | november 4, 2007

Braaf

“Wat zou je pastoor hiervan zeggen?”
“Ik heb geen pastoor.”
“Ben je geen braaf katholiek meisje?”
“Ik ben een meisje.”
“Ja.”
“En ik ben braaf. Toch?”
“Ja.”
“Twee van de drie woorden kloppen.”
“Hoezo heb je dan nog altijd dat kettinkje met ‘n kruisje om je nek?”
“Van mijn moeder geweest. Katholiek nest. Streng katholiek nest.”
“Waarom ben je weggegaan?”
“Wat bedoel je? Weggaan? Waarvan?”
“Van de kerk.”
“Ik weet ‘t niet. Ik ben er nooit echt in opgegaan. Ik denk dat ik als kind al niet geloofde dat er een mooiere wereld kon zijn dan deze.”
Ik aai haar haar.
“Ik bedoel, wat is er nou mooier dan Mozart? Of Bach.”
Ze ligt in de kuil van mijn oksel.
“Of jij.”
Ik til mijn hoofd op.
“Wat? Zit ik op dezelfde hoogte als Bach en Mozart?”
Ze knikt. Ze zucht even.
“En the Beatles.”

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | november 3, 2007

Een nieuwe betamaxband

Of ja, nieuw, nieuw, je begrijpt wat ik bedoel.

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | november 2, 2007

Galm

Ik vond vandaag mijn opschrijfboeken.
Onder een laag stof op de kast.

“Moet ik nou mijn goeie geld aan jouw eten uitgeven?”, zei ik terwijl ik tegen de deurpost van de wc leunde.
“Ha ha ha,” galmde het in de pot.

Hoe komt het dat ik geen woorden meer in kantlijnen kras sinds zij er is. Of ja, er is: er echt is. We eten alleen maar pannekoeken. Mijn geld is bijna op. Iedere ochtend ga ik voor Knijn gras plukken.

Hoe kan het dat ik er in jaren niet zo goed uit heb gezien?

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | oktober 31, 2007

Ik kan wel met woorden gaan uitleggen hoe ik me voel

Geen baan.
Ik lig de hele dag in bed (met haar).
Mijn haren zijn vettig.
Het afwasmiddel is op.
De shampoo dus ook.
Ik heb al in weken geen afwas meer gedaan.
De stofzuigerzak zit vol.
Door de post en de folders gaat de voordeur bijna niet meer open.
Er zit een slag in mijn achterwiel.
(Knijn is het daar overigens niet mee eens, ze hobbelt in haar mandje als ik even met haar naar de bieb ga. Of naar de kringloop.)

Ach.
Ze dekken de lading niet meer.
Die woorden.

Het voelt zo:

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | oktober 29, 2007

Een dagje uit

“Wat doe je daar?”
“Niks.”
“Nee, nee!”
“Nou!”
“Oh!”
“Ow…”
“Je huilt!”, zegt ze.
Ze kijkt me even onderzoekend aan.

We zijn een wandeling gaan maken en beland bij de hifi-zaak een paar blokken van hier.
We zitten op een luie bank voor een scherm zo groot als mijn badkamermuur.
We kijken Oprah.

“Je bent officieel geen bouwvakker meer”, zegt ze en kijkt weer naar het scherm.
Ze geeft me een zakdoekje zonder haar ogen van de vrouw van die man die bijna stierf op een gletsjer te halen.

Nee.
Ik kijk naar haar.
Ze is bleek.
Maar ze glimlacht.
Ik kijk naar de kringetjes onder haar ogen, de schilfertjes op haar voorhoofd, haar fijne neus, haar haar.
Ik kijk.

Dan draait ze haar hoofd naar mij.
Ik kijk.

Ze kijkt.
Ik kijk.

Ze kijkt.
Ik geef haar een zoen.
De klerk staat naast ons.
Hoe lang?
Ach.
We lachen.
Ik geef haar nog een zoen.
De klerk zegt: “Wegweze.”
We lopen de regen in.
We lachen.

Thuis is ze moe.
“Ik ben moe”, zegt ze.
“Jij bent altijd moe”, zeg ik.
Ze kust me.
“Ik weet niet of ik dit aan kan”, zeg ik.
“Wijf”, zegt ze.

Ik ben officieel geen bouwvakker meer.
Ze kust me.
“Je moet naar bed”, zeg ik.
“Ik moet altijd naar bed.”

Ik stop haar in bed.
Ik kus haar.

Ze slaapt bijna meteen.
Vlak voor ze slaapt kijkt ze.
Ik kijk.
Zij kijkt.
Ze slaapt.
Ik kus haar.
Ik zeg: “ik ben geen bouwvakker meer.”
Ze slaapt.
Ik kus haar en aai haar haar.

En nu zit ik hier.
Met een razend hart.

Het is zoiets als vuurwerk.

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | oktober 28, 2007

Ze doet me steeds meer denken aan die buurman van Home Improvement


Missus Wilson?

Gepost door: debouwvakkermethetgebrokenhart | oktober 28, 2007

Radio Bulletin

“Toen ik klein was had ik een gipsbroek”, zeg ik en ik neem een hap. De lepel plakt vast aan mijn lip. Ik gooi de ijsbak tussentijds altijd met lepel en al in de vriezer.
“Als baby?”

We zitten in bed en we eten ijs.

“Als kind. Toen ik zes was, vanaf mijn zesde. Zat ik in die broek in bed, of op de bank. Mijn moeder had een plank met wielen gemaakt en daar reed ze me mee naar de supermarkt en dan moest ik bij de ingang wachten. De plank paste niet door de draaihekjes en door de ingang van de winkelwagens had ze me al eens proberen te duwen, maar toen de halve buurt al tong-klikkend en hoofdschuddend langs was gekomen is ze er maar mee gestopt.”
“Ik kan niet meer”, zegt ze terwijl ze de lepel terug in de bak gooit. Ze wil altijd een schone lepel uit de kast. Één uit de bak vindt ze vies. Dat terwijl er waarschijnlijk op lepels uit de vriezer minder bacillen zitten.

Bacillen?
Heet dat tegenwoordig nog zo?
Bacillen?
Of is dat alweer oud?

“Noem je dat nog zo?”, zeg ik.
“Een gipsbroek? Ja, volgens mij wel. Alleen doen ze dat alleen nog bij baby’s.”
Ik kijk naar de lepel.
“Dat moet vreselijk zijn geweest”, zegt ze. “Zo’n plank. En zo’n broek. Als iedereen kan zien wat je hebt.”
Ik kijk naar haar haar.
Soms, als ik haar haar vasthield wanneer ze boven de emmer of de wc of de wasbak (of de bloempotten, ‘t tapijt, de vloer, de gootsteen en zelfs een keer uit het raam) hing zag ik een streep in haar hoofdhuid.
Met een hand raak ik haar haar aan.
Ze vleit zich tegen me.

Ik las veel toen.
Gebonden tijdschriften die mijn moeder op de rommelmarkt voor me kocht.
Radio Bulletin. De Sjors.
Misschien dat ik daar die tik van heb. De tik van het kringlopen.

“Wat deed je in hemelsnaam de hele dag?”, vraagt ze met haar hoofd in de doos met betamaxbanden.
“Lezen.”
“Leuk”, zegt ze.
“Ja”, zeg ik.

Ik zucht.
Zij ook.
Met een zwiep houdt ze opeens een band omhoog.
“Dees”, zegt ze.
“Alweer?”
“Ja.”

Ik wil haar zeggen dat ik haar hier hou.
Dat ik niet wil dat ze ziek is.
Dat ik wil dat ze beter wordt.
Ik wil haar zeggen dat ik niks hoef.
Ik hoef alleen maar hier te zijn.
Verder niks.

Ik begin niet meer over de dokter.

Oudere Berichten »

Categorieën

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.