“Toen ik klein was had ik een gipsbroek”, zeg ik en ik neem een hap. De lepel plakt vast aan mijn lip. Ik gooi de ijsbak tussentijds altijd met lepel en al in de vriezer.
“Als baby?”
We zitten in bed en we eten ijs.
“Als kind. Toen ik zes was, vanaf mijn zesde. Zat ik in die broek in bed, of op de bank. Mijn moeder had een plank met wielen gemaakt en daar reed ze me mee naar de supermarkt en dan moest ik bij de ingang wachten. De plank paste niet door de draaihekjes en door de ingang van de winkelwagens had ze me al eens proberen te duwen, maar toen de halve buurt al tong-klikkend en hoofdschuddend langs was gekomen is ze er maar mee gestopt.”
“Ik kan niet meer”, zegt ze terwijl ze de lepel terug in de bak gooit. Ze wil altijd een schone lepel uit de kast. Één uit de bak vindt ze vies. Dat terwijl er waarschijnlijk op lepels uit de vriezer minder bacillen zitten.
Bacillen?
Heet dat tegenwoordig nog zo?
Bacillen?
Of is dat alweer oud?
“Noem je dat nog zo?”, zeg ik.
“Een gipsbroek? Ja, volgens mij wel. Alleen doen ze dat alleen nog bij baby’s.”
Ik kijk naar de lepel.
“Dat moet vreselijk zijn geweest”, zegt ze. “Zo’n plank. En zo’n broek. Als iedereen kan zien wat je hebt.”
Ik kijk naar haar haar.
Soms, als ik haar haar vasthield wanneer ze boven de emmer of de wc of de wasbak (of de bloempotten, ‘t tapijt, de vloer, de gootsteen en zelfs een keer uit het raam) hing zag ik een streep in haar hoofdhuid.
Met een hand raak ik haar haar aan.
Ze vleit zich tegen me.
Ik las veel toen.
Gebonden tijdschriften die mijn moeder op de rommelmarkt voor me kocht.
Radio Bulletin. De Sjors.
Misschien dat ik daar die tik van heb. De tik van het kringlopen.
“Wat deed je in hemelsnaam de hele dag?”, vraagt ze met haar hoofd in de doos met betamaxbanden.
“Lezen.”
“Leuk”, zegt ze.
“Ja”, zeg ik.
Ik zucht.
Zij ook.
Met een zwiep houdt ze opeens een band omhoog.
“Dees”, zegt ze.
“Alweer?”
“Ja.”
Ik wil haar zeggen dat ik haar hier hou.
Dat ik niet wil dat ze ziek is.
Dat ik wil dat ze beter wordt.
Ik wil haar zeggen dat ik niks hoef.
Ik hoef alleen maar hier te zijn.
Verder niks.
Ik begin niet meer over de dokter.
Nothing seems to be easier than seeing someone whom you can help but not helping.
I suggest we start giving it a try. Give love to the ones that need it.
God will appreciate it.
Door:userfephore opjanuari 22, 2009
op4:59 am