“Wat doe je daar?”
“Niks.”
“Nee, nee!”
“Nou!”
“Oh!”
“Ow…”
“Je huilt!”, zegt ze.
Ze kijkt me even onderzoekend aan.
We zijn een wandeling gaan maken en beland bij de hifi-zaak een paar blokken van hier.
We zitten op een luie bank voor een scherm zo groot als mijn badkamermuur.
We kijken Oprah.
“Je bent officieel geen bouwvakker meer”, zegt ze en kijkt weer naar het scherm.
Ze geeft me een zakdoekje zonder haar ogen van de vrouw van die man die bijna stierf op een gletsjer te halen.
Nee.
Ik kijk naar haar.
Ze is bleek.
Maar ze glimlacht.
Ik kijk naar de kringetjes onder haar ogen, de schilfertjes op haar voorhoofd, haar fijne neus, haar haar.
Ik kijk.
Dan draait ze haar hoofd naar mij.
Ik kijk.
Ze kijkt.
Ik kijk.
Ze kijkt.
Ik geef haar een zoen.
De klerk staat naast ons.
Hoe lang?
Ach.
We lachen.
Ik geef haar nog een zoen.
De klerk zegt: “Wegweze.”
We lopen de regen in.
We lachen.
Thuis is ze moe.
“Ik ben moe”, zegt ze.
“Jij bent altijd moe”, zeg ik.
Ze kust me.
“Ik weet niet of ik dit aan kan”, zeg ik.
“Wijf”, zegt ze.
Ik ben officieel geen bouwvakker meer.
Ze kust me.
“Je moet naar bed”, zeg ik.
“Ik moet altijd naar bed.”
Ik stop haar in bed.
Ik kus haar.
Ze slaapt bijna meteen.
Vlak voor ze slaapt kijkt ze.
Ik kijk.
Zij kijkt.
Ze slaapt.
Ik kus haar.
Ik zeg: “ik ben geen bouwvakker meer.”
Ze slaapt.
Ik kus haar en aai haar haar.
En nu zit ik hier.
Met een razend hart.
Het is zoiets als vuurwerk.