Ik vond vandaag mijn opschrijfboeken.
Onder een laag stof op de kast.
“Moet ik nou mijn goeie geld aan jouw eten uitgeven?”, zei ik terwijl ik tegen de deurpost van de wc leunde.
“Ha ha ha,” galmde het in de pot.
Hoe komt het dat ik geen woorden meer in kantlijnen kras sinds zij er is. Of ja, er is: er echt is. We eten alleen maar pannekoeken. Mijn geld is bijna op. Iedere ochtend ga ik voor Knijn gras plukken.
Hoe kan het dat ik er in jaren niet zo goed uit heb gezien?