Toen ik gister thuis kwam was ze weg.
Ik was met de trein geweest om nieuwe films te halen op een boerderij die plat ging.
Ze was weg.
Het hele huis was schoon.
De was zat in de wasmachine.
En het werd nacht en ik lag in bed.
Alleen.
Was ze er echt?
Waar was ik gebleven?
Van voor ze er was?
Waar ben ik in ‘s hemelsnaam?
En laat laat laat laat laat dat eeuwige denken nu in godsnaam eens stoppen.
Nu haal ik zelfs god en de hemel aan.
Laat het alsjeblieft stoppen.
Waar was ik?
Ze was weg.
En vanochtend nog steeds.
Alles leeg.
Met een mok thee ben ik voor het raam gaan staan.
En toen ik pijn kreeg aan mijn benen ging ik op haar stoel.
Niets ruikt er meer naar haar.
Waar ben ik gebleven?
Ik ben geen bouwvakker meer.
Ik ben een man met een konijntje op schoot.
Met een biebpas en een internetverbinding.
Ik dacht dat dit me dan zou redden.
Maar het stopt niet.
Ik wil het zo graag.
Uiteindelijk is toch ieder mens alleen in zijn hoofd.
Niets geeft me troost.
En niets smaakt me.
Niets zo sneu als een boterham met kaas, naast de centrale verwarming op een stoel bij het raam.
Als ik toch altijd al alleen was, hoe komt het dat nu alles zo niksig is?
Ik ben geen bouwvakker meer.
Ik ben een man.
Ik zit bij het raam.
Ik ben alleen.
Ik wil het zo graag.
Ik stop.
Zeg niets maar de gedachte is wel kenbaar.
Door:watje opjuni 2, 2009
op2:23 pm
Het verkeerde jaar dus het is niet voor mijn geschreven.
Door:watje opjuni 2, 2009
op2:59 pm